De meeste werklozen zouden niets liever willen dan een passende job vinden want ze zijn op zowat alle vlakken in het leven slechter af. Om met een laag inkomen te kunnen leven moet een persoon zich aanpassen aan zijn of haar situatie, maar dit doet de kans op werk nog meer dalen, en zo geraakt men in een vicieuze cirkel. Werk vinden is ook niet enkel een kwestie van willen: er zijn tal van andere factoren die meespelen bij de zoektocht.

Je kan deze stelling op twee manieren bekijken: wie niet werkt, heeft daar eigenlijk zelf voor gekozen; en om werk te vinden volstaat het te laten zien dat je echt wil werken.

Wie niet werkt, heeft daar eigenlijk zelf voor gekozen

Wellicht zijn er in elke samenleving mensen die liever lui dan moe zijn. Maar dit veralgemenen kan voor de betrokkenen heel kwetsend en ontmoedigend overkomen. Onderzoek toont aan dat de meeste werklozen vurig verlangen om aan het werk te geraken; en dat mensen in armoede grote offers brengen om te kunnen werken. Heel wat langdurig werklozen doen zelfs gratis vrijwilligerswerk om zich nuttig te kunnen voelen voor anderen.

Hans De Witte (sociaal psycholoog van de KU Leuven) stelt in een interview met Knack: “Uit alle wetenschappelijk onderzoek blijkt dat werklozen op zowat alle vlakken – fysiek, psychisch, sociaal en dus zeker niet alleen financieel – slechter af zijn, dan wie werkt. (…) Het geluksgevoel gaat achteruit en het gevoel van eigenwaarde neemt af. Een heel gamma van lichte tot ernstige fysieke problemen duikt op, doorgaans in combinatie met een aantal psychische problemen. Je slaapt slechter en krijgt problemen zoals maagzweren. Er bestaat zelfs onderzoek waaruit blijkt dat werklozen na een tijdje hun tanden minder poetsen dan werkenden. Het overlijdensrisico van werklozen stijgt, niet alleen door allerlei levensbedreigende ziektes, maar ook door zelfdoding.”

Een aantal werklozen gaan geleidelijk aan wel berusten in hun lot, maar voelen zich daarom niet goed in hun vel. De Witte: Hoe langer werkloos, hoe meer het gevoel van welzijn afneemt. Het welzijn zakt eerst naar een dieptepunt en stabiliseert na een periode op een lager niveau omdat men zich aanpast aan de situatie. Kortom, men berust en leert leven met een kleiner inkomen. Daardoor gaat men zich wat beter voelen, maar het oorspronkelijke niveau van welzijn komt niet terug. Dat is het schrijnende en ook paradoxale van langdurige werkloosheid. De langdurige werkloze moet zich aanpassen aan zijn situatie om er mee te kunnen leven, maar doordat hij zich aanpast, dalen zijn kansen op werk nog meer. Aanpassen helpt om te overleven, maar helpt helemaal niet om uit de werkloosheid te raken. Het wordt een vicieuze cirkel.”

Bovendien blijkt uit De Witte’s onderzoek dat werkloosheid zwaarder weegt voor arbeiders en laaggeschoolden dan voor bedienden en hooggeschoolden: “Ook al gaat een werkloze arbeider er in absolute cijfers minder op achteruit dan een werkloze bediende, toch is het problematischer. Hooggeschoolden houden zich, als ze werkloos worden, beter staande en blijven actiever. Ze hebben doorgaans een groter netwerk en daardoor meer kans op een andere baan. (…) Hooggeschoolden relativeren meer. Ze noemen zich bijvoorbeeld niet werkloos, maar ‘between jobs’ of ze zijn op zoek naar ‘een nieuwe uitdaging’. Laaggeschoolden zien hun baan vooral als middel om materiële zekerheid te verwerven die hen ook toelaat om zich buiten hun werk te ontplooien. Als die zekerheid plots wegvalt, heb je natuurlijk een gigantisch probleem. Al die aspecten samen maken werkloosheid relatief zwaarder voor arbeiders dan voor bedienden.”

Om werk te vinden volstaat het te laten zien dat je echt wil werken

In werkelijkheid zijn er tal van andere factoren die mee de kans bepalen om aan het werk te raken. Om te beginnen hangt dat sterk af van de algemene toestand op de arbeidsmarkt. Als de werkloosheid hoog is, concurreren veel werkzoekenden met elkaar voor elke vacature. Werkgevers kiezen steeds de beste kandidaten, dus de best geschoolden en degenen die zich het best kunnen verkopen, ook al zijn ze misschien te hoog gekwalificeerd voor de job. Dit wordt verdringing genoemd. Het gevolg is dat na verloop van tijd de laagst geschoolde, zwakste werkzoekenden overblijven. Aangezien veel nieuwe vacatures hoge kwalificaties nodig hebben, wordt de kloof tussen die vereisten en de kenmerken van de kandidaten te groot.

Maar ook in ‘goede tijden’ – als er veel vacatures zijn – is het voor mensen in armoede vaak heel moeilijk om aan de bak te komen. Mogelijke hinderpalen zijn: lage scholing, taalbarrières, leeftijd, zwakke gezondheid, vervoersproblemen, het stigma van langdurige werkloosheid, een aangetast zelfbeeld, familiale verantwoordelijkheden, werkloosheidsvallen (het verschil tussen nettoloon bij werk en de verloren uitkering weegt niet op tegen de kosten (kinderopvang, vervoer enz.) die men moet maken om te kunnen gaan werken) – of armoedevallen (het extra inkomen uit werk verloren gaat door afhoudingen van je leefloon, of van de uitkering van andere gezinsleden, of door loonbeslag voor de afbetaling van schulden), en discriminatie bij aanwerving.

Bijdrage door Ides Nicaise