Mensen in armoede leven ongezond: ze roken teveel, ze drinken teveel, ze eten ongezond en bewegen te weinig.

De levensomstandigheden en de verhoogde blootstelling aan risicofactoren hebben een negatieve invloed op hun gezondheid.

Ze vinden gezondheid niet minder belangrijk maar ze zijn minder in staat om gezond te leven.

Mensen in armoede roken meer, zijn minder fysiek actief en drinken vaker frisdrank. Maar dit mag niet losgekoppeld worden van de sociaaleconomische context waarin ze zich bevinden. Personen in armoede vinden gezondheid niet minder belangrijk, maar zijn in de praktijk eerder minder in staat om gebruik te maken van de gezondheidszorg, zowel preventief als curatief. Oorzaken hiervoor zijn stresserende levensomstandigheden, de verhoogde blootstelling aan risicofactoren (dus minder hulpmiddelen om gezondheidsrisico’s te vermijden), slechte coping mechanismen door sociale isolatie en een gebrek aan rolmodellen.

Cijfers

Cijfers uit de laatste Belgische Gezondheidsenquête wijzen er op dat personen in armoede gemiddeld meer roken, minder fysiek actief zijn en meer frisdrank drinken dan personen in een betere sociaaleconomische situatie. Zo geeft 17% van de personen met de 20% hoogste inkomen aan dagelijks gesuikerde dranken te drinken, tegenover 33% van de personen met de 20% laagste inkomens. Er is ook een verschil wat betreft tandhygiëne: hoewel 57% van de personen met de laagste inkomens ten minste twee maal per dag zijn tanden poetst, ligt dit percentage hoger bij de personen met hogere inkomens (65%).

Hoewel de voorbeelden hierboven inderdaad over individueel gedrag gaan, mogen ze niet in een vacuüm geplaatst worden, los van de sociale context en positie waarin personen in armoede keuzes maken en handelen. Personen in armoede vinden gezondheid niet minder belangrijk, maar zijn in de praktijk eerder minder in staat om gebruik te maken van de gezondheidszorg, zowel preventief als curatief.

Het bestaan van sociale ongelijkheden in de gezondheidszorg wordt door talrijke studies aangetoond. Het sterfte – en ziektecijfer verschillen naargelang de socio-economische positie van een persoon in de samenleving: bij mensen met een hoger inkomen en een hogere opleiding liggen deze cijfers lager dan bij mensen met een lagere socio-economische positie.

Oorzaken

Hoe komt het nu dat personen in armoede meestal een slechtere gezondheid hebben? Hoe beïnvloedt de sociale leefsituatie iemands gezondheidsgedrag en geestelijke of lichamelijke gezondheidstoestand?

Ten eerste wordt een armoedesituatie vaak gekenmerkt door een blootstelling aan en een spiraal van heel wat stresserende situaties en levensgebeurtenissen zoals echtscheiding en werkloosheid, die dan weer een slechtere fysieke en mentale gezondheid in de hand werken. Financiële problemen op zich vormen ook al een belangrijke stressfactor.

Ten tweede kenmerkt armoede zich door een gebrek aan hulpmiddelen om met stresserende gebeurtenissen om te gaan. Een lager inkomen, minder kwalitatieve huisvesting en voeding kan de toegang tot de gezondheidszorg verlagen en dus een negatief effect hebben op hun gezondheid. Hun situatie wordt dus gekenmerkt door een gebrek aan middelen om op een succesvolle manier met gezondheidsgerelateerde problemen om te gaan. Ze zijn vaak bijzonder gevoelig voor de negatieve effecten van een situatie die sowieso al stresserend en moeilijk is (bijvoorbeeld: een lager inkomen of job maakt het nog moeilijker om kwalitatieve huisvesting te vinden bij een scheiding, waardoor een scheiding nog een sterker effect kan hebben op de gezondheid). Mensen in armoede kunnen het gevoel hebben hun situatie niet onder controle te hebben, geen vertrouwen hebben in hun eigen daadkracht en onzeker zijn.

Bovendien kunnen ze zich sociaal geïsoleerd voelen waardoor ze zich oncomfortabel, ontevreden en sociaal achtergesteld kunnen voelen. De coping mechanismen die ze dan gebruiken zijn vaak de minder gezonde zoals roken, drinken, vettig eten,… Deze zijn relatief makkelijk bereikbaar en goedkoop en leiden tot een snelle beloning op korte termijn. Personen in armoede hebben ook minder rolmodellen om zich aan te spiegelen.

Bijdrage door Josephine Foubert, Veerle Buffel en Ronan Van Rossem